10 tips om veilig te rijden als het sneeuwt

Omdat er minder snel gereden wordt, zorgt sneeuw op de wegen ervoor dat er een daling is van het aantal dodelijke ongevallen met 15%. Daarentegen is er een stijging van het aantal ongevallen met materiële schade met meer dan 75%! Rijden op sneeuw vergt gewoontes die veel bestuurders niet hebben. Bij de start van een winteroffensief, brengt het BIVV graag de voornaamste richtlijnen nog eens in herinnering.

Sneeuw verhoogt het risico op een ongeval, maar de ernst van die ongevallen ligt wel lager. Dat vertaalt zich in een stijging van het aantal minder ernstige ongevallen (meestal is er enkel blikschade) en een vermindering van het aantal dodelijke ongevallen. Toch gebeuren er jaarlijks gemiddeld 400 letselongevallen op besneeuwde wegen.

Rijden op de sneeuw is geen pretje. Als de omstandigheden echt slecht zijn, is het zelfs aangewezen om de wagen thuis in de garage te laten staan. Dat geldt zeker als je niet over winterbanden beschikt. Als je toch de baan op gaat, zijn dit enkele nuttige raadgevingen om veilig op jouw bestemming te geraken.

Voor het vertrek

Een goed onderhouden en goed uitgeruste wagen is de beste garantie op een veilige rit. Controleer zeker of je voldoende vriesbestendige ruitenwisservloeistof in je reservoir hebt. Zorg ook dat je lampen en ruiten goed proper gemaakt zijn. Een goede zichtbaarheid is zeer belangrijk. Let extra op dat je voorruit helemaal vrij is. De voorruit maar voor een klein stukje ijs- of  sneeuwvrij maken voor je vertrek is niet voldoende.

10 goede reflexen die je tijdens je rit best aanneemt.

1. Draag gemakkelijke kledij en comfortabele schoenen: rijden met een dikke winterjas en/of met sneeuwlaarzen zorgt ervoor dat je rit oncomfortabel wordt. Het kan zelfs gevaarlijk zijn, omdat je bewegingen beperkt worden.


2. Blijf kalm onder alle omstandigheden: niemand is echt op zijn gemak op besneeuwde wegen, maar paniek leidt tot niets en zorgt ervoor dat je minder goed gaat rijden.


3. Bij het optrekken moet je geleidelijk versnellen, zeker op een helling. Vertrek in eerste versnelling als er niet te veel sneeuw ligt of als de weg vrijgemaakt is. Als er een laag sneeuw ligt, is het beter om in tweede versnelling te vertrekken.


4. Rijden op sneeuw vereist dat je voorzichtig rijdt: bruuske versnellingen, plotse richtingsveranderingen of plots remmen zijn te vermijden. Elke handeling moet goed gedoseerd verlopen.


5.Verminder je snelheid en probeer een veilige afstand te bewaren met de andere voertuigen, zelfs als je stilstaat. Op besneeuwde wegen is je remafstand 3x keer groter als je nog met zomerbanden rijdt (wat niet aan te bevelen is).


6.Anticipeer op de staat van de weg en de onverwachte manoeuvres van de andere voertuigen. Dat is de beste manier om veilig op je bestemming aan te komen.


7.Wees extra voorzichtig op open ruimtes zoals bruggen. Daar is de temperatuur nog lager dan op andere plaatsen.


8. Rem op de motor als je bergaf rijdt, in plaats van met het rempedaal. Zeker in afdalingen is het belangrijk om voldoende afstand te bewaren.


9.Steek de strooiwagens niet voorbij. Door in hun spoor te blijven, verminder je de kans op slippen.


10. Wees extra voorzichtig in bochten. Verminder snelheid vooraleer je ze aansnijdt. Een keer in de bocht, moet je je snelheid aanhouden om de wagen zo weinig mogelijk uit evenwicht te brengen.
 

Wat moet je doen als je toch begint te slippen?

Als je in een kritieke situatie zit waar je voertuig begint te slippen, is het belangrijk om niet te panikeren.

Rem zeker niet en geef ook geen extra gas, het belangrijkste is om de wagen stabiel te houden. Kijk daarom goed in de richting waar je naartoe wil rijden. Probeer in die richting te sturen. Kijk in geen geval naar een mogelijk obstakel.

Ook met winterbanden is voorzichtigheid geboden!

Zelfs met winterbanden is het essentieel om je gedrag achter het stuur aan te passen aan de weersomstandigheden. Om het risico op  een ongeval te verkleinen, moeten bestuurders op besneeuwde wegen hun snelheid matigen en de veiligheidsafstand met hun voorgangers vergroten. Dat geldt zowel als je met winter- of zomerbanden rijdt. Winterbanden betekenen zeker geen vrijgeleide om risico’s te nemen. Met elk weertype moet je je als bestuurder verantwoordelijk gedragen.

Dit zegt de wegcode

Art. 10.1.

1° Elke bestuurder moet zijn snelheid regelen zoals vereist wegens de aanwezigheid van andere    weggebruikers, in ’t bijzonder de meest kwetsbaren, de weersomstandigheden, de plaatsgesteldheid, haar belemmering, de verkeersdichtheid, het zicht, de staat van de weg, de staat en de lading van zijn voertuig; zijn snelheid mag geen oorzaak zijn van ongevallen, noch het verkeer hinderen.

2° De bestuurder moet, rekening houdend met zijn snelheid, tussen zijn voertuig en zijn voorligger een voldoende veiligheidsafstand houden.

3° De bestuurder moet in alle omstandigheden kunnen stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien.

Art. 30.1

Wanneer het voertuig voorzien is van achtermistlichten, moeten deze lichten gebruikt worden bij mist of sneeuwval die de zichtbaarheid verminderen tot minder dan 100 m alsook bij felle regen. Deze lichten mogen in geen andere omstandigheden gebruikt worden.

download het persbericht

Contactpersoon:

Stef Willems (woordvoerder BIVV): 0473/85.59.44